Aansprakelijkheid werkgever bij uitzendkrachten: wie is aansprakelijk?

Aansprakelijkheid werkgever bij uitzendkrachten: wie is aansprakelijk?

Uitzendkrachten spelen een steeds belangrijkere rol in de Nederlandse economie. Toch zorgen zij voor een bijzondere situatie. Zo zijn ze eigenlijk een medewerker van een uitzendbureau. Dat uitzendbureau stelt de medewerker dan tegen betaling ter beschikking van een inlener. Het uitzendbureau doet de betaling van het loon en blijft gedurende al die tijd formeel de werkgever. Toch is het de inlener die de tewerkstelling regelt en dus ook degene die moet toezien op de veiligheid. Wat zijn de consequenties voor het aansprakelijkheidsrecht? Wij bespreken drie verschillende verhoudingen waarbij we eveneens aandacht hebben voor de verhouding tussen het uitzendbureau en de inlener.

Bedrijfsongevallen komen vaak voor in ons land en niet alleen de werknemers worden er het slachtoffer van. Het is nu eenmaal niet ongewoon dat een bedrijfsongeval een uitzendkracht treft. Bedrijfsongevallen kunnen daarbij uiteenlopende vormen aannemen, gaande van een ongeval met een heftruck tot een ongeval met een machine. Bij een bedrijfsongeval is het in principe de werkgever die aansprakelijk is voor de schade van de medewerker. Ook voor het uitzendbureau is dat het geval.

Het uitzendbureau is de daadwerkelijke werkgever en ook zij hebben een zorgplicht ten aanzien van hun medewerkers. Zo moeten ze bijvoorbeeld nagaan of de andere onderneming wel de nodige veiligheidsmaatregelen treft. Alleen al op basis van die zorgplicht kan de medewerker bijna altijd het uitzendbureau aansprakelijk stellen voor de schade.

Weet overigens dat in de overeenkomst met de inlener dergelijke situaties vaak vooraf worden geregeld. In vele gevallen zal de inlener het uitzendbureau dan ook (gedeeltelijk) vrijwaren bij aansprakelijkheid bij een bedrijfsongeval ten gevolge van de tewerkstelling aldaar. Voor de medewerker maakt zo'n clausule overigens weinig uit: het gaat om een bepaling tussen twee ondernemingen. Het uitzendbureau moet dan maar op zijn beurt opnieuw de inlener aanspreken.

Opdat er sprake zou zijn van een bedrijfsongeval en de aansprakelijkheid van het uitzendbureau in het gedrang zou komen, is het vereist dat het ongeval plaatsvond tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. De werknemer moet zelf aantonen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden, dit wordt niet vermoed.

In de praktijk wordt dit heel ruim geïnterpreteerd en gaat het daarbij ook om werkzaamheden die buiten de traditionele werkplek plaatsvinden. Ook als een werknemer te werk wordt gesteld in een ander bedrijf kan er gewoon sprake zijn van een ongeval tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. De belangrijkste vraag is of de werkgever zeggenschap had en dat is vrijwel altijd het geval. Het uitzendbureau kan de werknemer namelijk sanctioneren, terugroepen, elders stallen, instructies geven enzovoort. Hierdoor zal de aansprakelijkheid het uitzendbureau al snel treffen.

Eenmaal de werknemer heeft aangetoond dat het ongeval plaatsvond gedurende de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat er een verband is tussen de schade en het ongeval, opent hij automatisch de poort naar de aansprakelijkheid van het uitzendbureau. Wie de aansprakelijkheid van het uitzendbureau betwist, moet dan het tegendeel bewijzen. En dat is in de praktijk ongelofelijk moeilijk, doch niet onmogelijk.

Om de aansprakelijkheid van het uitzendbureau te betwisten, moet er worden aangetoond dat het uitzendbureau aan de zorgplicht heeft voldaan. De eisen die aan de zorgplicht worden gesteld, zijn heel groot. Voor het uitzendbureau zal het belangrijk zijn om aan te tonen dat het duidelijke instructies aan de inlener meegaf, dat het zelf risico's heeft onderzocht, dat het controleerde of de inlener en de medewerker wel correct met de veiligheidsinstructies omgingen en dergelijke meer. Het niet kennen van het risico is niet altijd een uitvlucht, zeker niet als men met een behoorlijk onderzoek het risico wel had kunnen kennen.

Een tweede mogelijkheid om de aansprakelijkheid van het uitzendbureau te betwisten, is door aan te tonen dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid bij de werknemer. Dit gaat veel verder dan louter eigen schuld en dit is helemaal niet zo eenvoudig aan te tonen.

Hierboven werd uitgebreid aandacht geschonken aan de aansprakelijkheid van het uitzendbureau voor bedrijfsongevallen. Daarvoor is het onder andere vereist dat het ongeval plaatsvindt tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. Toch kan de aansprakelijkheid van het uitzendbureau ook op andere momenten in het gedrang komen. Dit komt omdat het uitzendbureau zich als een goed werkgever moet gedragen. Dit volgt uit artikel 7:611 BW. Als het uitzendbureau zich niet als een goed werkgever gedraagt en de uitzendkracht hierdoor schade oploopt, komt de aansprakelijkheid van het uitzendbureau in het gedrang.

Het beginsel van goed werkgeverschap kan er zelfs voor zorgen dat de aansprakelijkheid van het uitzendbureau in het gedrang komt bij gebeurtenissen die in de privésfeer plaatsvinden. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als het uitzendbureau onvoldoende maatregelen treft om de privacy van werknemers te beschermen, waardoor ze ten gevolge van hun professionele activiteiten thuis worden aangevallen.

In de praktijk is het de inlener die, nog meer dan het uitzendbureau die formeel de werkgever is, zicht heeft op de werkomstandigheden en de veiligheid. Het is daarom vrij logisch dat de medewerker niet alleen het uitzendbureau maar ook de inlener kan aanspreken bij een bedrijfsongeval. Beiden worden dan als werkgever beschouwd.

Toen in de jaren negentig nieuwe arbeidsverhoudingen ontstonden en er steeds meer zzp'ers en uitzendkrachten in de Nederlandse bedrijven te vinden waren, diende de wetgever hier een oplossing voor te vinden. Daarom werd in 1999 artikel 7:658 lid 4 ingevoerd. Dit artikel verklaart de zorgplicht van de werkgever in sommige gevallen ook van toepassing op werkgevers die geen arbeidsovereenkomst hebben met een werknemer. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de inlener die enkel een overeenkomst heeft met het uitzendbureau en niet met de uitzendkracht. Onder bepaalde voorwaarden wordt de zorgplicht, die ook al op het uitzendbureau rust, uitgebreid tot de inlener.

Het artikel 7:658 lid 4 BW geldt enkel voor personen die in het kader van de uitoefening van hun beroep of bedrijf uitzendkrachten inschakelen. Dit betekent dat het artikel niet van toepassing is op privépersonen die iemand inlenen, bijvoorbeeld om te helpen bij het huishouden. Het artikel staat ook niet open voor overheidswerkgevers die een beroep doen op uitzendkrachten, tenzij er sprake is van een overheidsbedrijf. Als dit artikel niet kan worden ingeroepen, sluit dit de aansprakelijkheid van de inlener uiteraard nog niet uit. Er kan nog steeds een beroep worden gedaan op de klassieke aansprakelijkheidsregels om de aansprakelijkheid van de inlener aan te tonen, maar de bewijslast is dan wel zwaarder.

Deze regeling zorgt ervoor dat uitzendkrachten in een luxepositie zitten. Ze hebben namelijk de keuze tussen het inroepen van de aansprakelijkheid van het uitzendbureau en het inroepen van de aansprakelijkheid van de inlener. Zijn eigen formele werkgever, het uitzendbureau, kan hij aanspreken op grond van artikel 7:658 lid 1 BW. Door de werknemer uit te lenen, doet het uitzendbureau namelijk geen afstand van de zorgplicht die op de werkgever rust. De inlenende werkgever, op voorwaarde dat dit geen inlenende privé-werkgever is, kan dan weer worden aangesproken op grond van artikel 7:658 lid 4 BW.

Het is in de praktijk aan te raden om alle twee de partijen aansprakelijk te stellen. Zij zijn dan hoofdelijk verbonden tot het vergoeden van de schade, wat extra zekerheid biedt met betrekking tot de uiteindelijke betaling van de schadeclaim. Op praktisch vlak kunnen we dan ook zeggen dat een uitzendkracht over meer bescherming geniet dan een medewerker die rechtstreeks bij de inlener tewerkgesteld is, althans als het over bedrijfsongevallen gaat.

Tussen het uitzendbureau en de inlenende werkgever wordt er altijd een overeenkomst gesloten. Hierbij worden allerlei afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over de te betalen vergoeding. Vaak zijn er ook afspraken gemaakt over de aansprakelijkheid, waarbij het uitzendbureau zijn aansprakelijkheid zoveel mogelijk zal willen uitsluiten. Deze afspraken zijn in deze onderlinge verhouding geldig. De inlener zal dan maar moeilijk de aansprakelijkheid van het uitzendbureau kunnen inroepen.

Dergelijke afspraken zijn geldig, maar enkel het uitzendbureau en de inlener zijn ertoe gebonden. Dit zorgt ervoor dat de uitzendkracht nog steeds het uitzendbureau kan aanspreken als hij slachtoffer wordt van een bedrijfsongeval bij de inlener. Wel kunnen de gemaakte afspraken ervoor zorgen dat het uitzendbureau de aan de uitzendkracht betaalde schadevergoeding geheel of gedeeltelijk bij de inlener kan terugvorderen. De belangen van de uitzendkracht worden daarbij niet aangetast.

Wanneer een uitzendkracht het slachtoffer wordt van een bedrijfsongeval zijn de inlener en het uitzendbureau hoofdelijk aansprakelijk. Dit wil zeggen dat het slachtoffer een volledige schadevergoeding kan vorderen bij een partij naar keuze. Dit wil echter niet zeggen dat deze partij ook de volledige schadevergoeding moet dragen. Zoals eerder aangehaald, spelen de tussen de inlener en het uitzendbureau gemaakte afspraken hierin een rol. Ze bepalen grotendeels in welke mate het uitzendbureau een aan de uitzendkracht betaalde schadevergoeding al dan niet kan terugvorderen van de inlener en omgekeerd.

Het kan ook dat hier helemaal geen afspraken over zijn gemaakt. Dan wil dat niet zeggen dat de partij die de volledige schadevergoeding betaalde, ze ook alleen dient te dragen. Dan is de regeling van artikel 6:102 lid 1 BW van toepassing. Dit wil zeggen dat de vergoedingsplicht wordt verdeeld in de mate waarin iedere partij tot de schade heeft bijgedragen. Het deel waarvoor de andere partij moet opdraaien, kan met andere woorden worden teruggevorderd. De hoofdelijke aansprakelijkheid en het volledig vorderen van de schadevergoeding bij de uitzendkracht doet dus geen afbreuk aan de aansprakelijkheid van de inlener en vice versa.

Het gerechtshof van Arnhem-Leeuwarden kreeg recent een bijzondere zaak te verwerken. Hierbij stelde de inlener het uitzendbureau aansprakelijk voor het feit dat de geleende uitzendkrachten onvoldoende deskundig waren. Hierbij zou het uitzendbureau tekortgeschoten zijn in haar verplichtingen. Ten gevolge van die ondeskundigheid werden verschillende systeemwanden foutief geplaatst waardoor de inlener schade leed. Hier oordeelde het gerechtshof dat de inlener geen aanspraak kon maken op een schadevergoeding.

In de eerste plaats was dat het geval omdat de inlener bij het ontstaan van de overeenkomst nooit had aangegeven dat de geleende medewerkers over een bepaalde vorm van deskundigheid dienden te beschikken. Bovendien had de inlener, ook na de eerste tewerkstelling, niet aangegeven dat de medewerkers niet over de gewenste mate van deskundigheid beschikten. Het deed dat pas na het vaststellen van de schade. Het gerechtshof concludeerde dat het loutere feit dat de geleende uitzendkrachten ernstige fouten hadden gemaakt, niet impliceert dat ook het uitzendbureau fouten had gemaakt. In de aansprakelijkheidsverhouding tussen het uitzendbureau en de inlener spelen, naast de contractuele overeenkomst, dus ook de concrete feiten een belangrijke rol.

De regels omtrent de aansprakelijkheid van het uitzendbureau en de aansprakelijkheid van de inlener zijn heel complex. Het belangrijkste dat je moet onthouden, is dat bij een bedrijfsongeval de uitzendkracht vaak de keuze heeft wie hij aanspreekt: het uitzendbureau of de inlener. Vaak zijn ze alle twee aansprakelijk, want de wettelijke regels zijn voor een heel groot deel geschreven in het voordeel van de werknemer. De onderlinge afspraken die het uitzendbureau en de inlener hebben gemaakt, zijn voor de uitzendkracht niet relevant en zullen enkel regelen hoe die eerste twee de schadeclaim onderling afhandelen.

Treft een bedrijfsongeval de uitzendkracht? Dan is het in ieder geval raadzaam om een letselschadeadvocaat in de arm te nemen. Onze advocaten gaan de onderhandelingen aan met (de verzekeraars van) het uitzendbureau en de inlener en gaan op zoek naar een passende schadevergoeding. Enkel als we er samen niet uitkomen, wordt er een beroep gedaan op de rechter. Wij kennen de beste weg naar een passende schadevergoeding en weten wie we daarvoor moeten aanspreken. Neem contact met ons op voor meer informatie.

A. Berger
Door

A. Berger

op 24 Jul 2019

En wat nu als een uitzendkracht kortstondig kortsluiting in zn bovenkamer krijgt en een machine van € 800 moedwillig vernielt, onder het oog van 2 collega’s? Wie betaalt dan de rekening voor een nieuwe machine?

Reactie plaatsen