Geschreven door:
Rianne Marijnissen-Smit

Soorten en maten

Er bestaan verschillende soorten elektrische fietsen. Het meest verkocht is de fiets met trapondersteuning (een pedelec genoemd). Met deze fiets moet je nog steeds zelf trappen, maar het trappen is een stuk lichter en je kunt (makkelijker) snelheden bereiken tot 25 km/uur. Ook bestaat er de (high speed) eBike. Bij deze versie staan de motor en trappers niet met elkaar in verband en hoef je zelf niet of nauwelijks te trappen. Er is bij deze variant wel sprake van trapondersteuning, maar de aandrijfkracht vermindert of stopt niet direct als je stopt met trappen. Deze eBike kent een versie die tot 25 km/uur kan en er bestaan versies die snelheden tot 45 km/uur kunnen bereiken, dan gaat het om de high speed variant.

Artikel 185 WVW

In Nederland worden fietsers (en voetgangers), als zijnde een ongemotoriseerd voertuig, beschermd door de wet (artikel 185 WVW). Een fietser is namelijk een zwakkere verkeersdeelnemer die sneller en ernstiger letsel (en schade) zal oplopen wanneer er een ongeval plaatsvindt met een gemotoriseerd voertuig zoals een auto. De wet beschermt deze zwakkere verkeersdeelnemers door – in situaties waarbij er sprake is van eigen schuld door de fietser of voetganger – in principe (tenzij er sprake is van overmacht) ten minste 50% van de schade te vergoeden. Voor kinderen jonger dan 14 jaar is dit zelfs 100%.

De vraag is of de elektrische fietser (de pedelec en/of eBike) dezelfde bescherming toekomt als de normale fietser of dat de elektrische fiets toch als gemotoriseerd voertuig kan worden aangemerkt.

Om na te kunnen gaan of aan slachtoffers van een ongeval met een elektrische fietsers dezelfde bescherming toekomt als aan gewone fietsers is het volgende van belang. Uit de wet (artikel 1 sub c WVW) blijkt dat fietsen met trapondersteuning (de pedelec) niet als een motorrijtuig worden aangemerkt. De eBike dient volgens de wet wél als motorrijtuig te worden aangemerkt. Dat betekent dus dat de fietser op een pedelec wel wordt beschermd door de wet als zijnde een ‘zwakke’ verkeersdeelnemer. De fietser op de zogenaamde eBike wordt echter niet beschermd door de wet.

Terecht onderscheid?

Het is zeer opmerkelijk dat er onderscheid wordt gemaakt tussen een fiets met trapondersteuning en een eBike. Immers gaan beide voertuigen (tenzij je uitgaat van de speed variant) even hard en maakt het voor het risico in het verkeer niet uit of de trappers in verbinding staan met de motor. Beide elektrische fietsers zijn in principe even kwetsbaar en zullen vergelijkbaar letsel oplopen als er een ongeval met een automobilist plaatsvindt. Vanuit het perspectief van bescherming van de zwakke deelnemers zou mijns inziens ook een fietser op een eBike bescherming moeten toekomen. Ditzelfde zou dan overigens moeten gelden voor de snorfietser. Een snorfietser komt thans ook geen bescherming vanuit de wet toe (want gemotoriseerd), terwijl deze maximaal 25 km/uur gaat en de bestuurder geen helm hoeft te dragen. Een snorfietser is dus in vergelijkbare mate kwetsbaar. Komt aan bestuurders van eBikes (en bijvoorbeeld snorfietsers) dan geen enkele bescherming toe? Jawel, voor deze weggebruikers bestaat er nog een mogelijkheid om zich te beroepen op de zogenaamde billijkheidscorrectie, waarbij hun kwetsbaarheid een extra argument kan zijn voor een hoger schadevergoedingspercentage. Deze mogelijkheid is echter niet te vergelijken met de bescherming die een ongemotoriseerde toekomt.

Het onderscheid dat de wet maakt tussen gemotoriseerde en ongemotoriseerde elektrische fietsers leidt mijns inziens tot onredelijke uitkomsten en verschillen. De praktijk zal nog uit moeten wijzen of verzekeraars en rechters hier daadwerkelijk een harde lijn zullen trekken of toch openstaan voor argumenten van slachtoffers van ongevallen met een eBike, zoals vergelijkbare kwetsbaarheid in het verkeer.