Volgens het proces-verbaal wilde A (auto) naar links afslaan. De bestuurder gaf daarom richting aan en remde af. Omdat de afstand tussen B (motor) en A kleiner werd, besloot B in te halen. A en B zijn toen met elkaar in botsing gekomen. B heeft als gevolg van het verkeersongeval ernstig letsel opgelopen. Daarom spreek hij Aegon als WAM-verzekeraar aan voor zijn schade. Aegon wijst aansprakelijkheid van de hand. B legt het geschil daarom voor aan de rechtbank.

Rechtbank

Aan de hand van een getuigenverhoor stelt de rechtbank vast dat de auto de motor niet voor heeft laten gaan toen de auto afsloeg. Het is de vraag waar de motor zich precies bevond ten opzichte van de auto. In art. 18 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV) staat namelijk: ‘Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.’ De rechtbank concludeert na een uitvoerige analyse dat de motor dicht achter de auto moet zijn geweest toen de auto afsloeg. De automobilist heeft dus in strijd met het RVV gehandeld.

Nu het onrechtmatige handelen van de automobilist vaststaat is het de vraag of dit kan worden toegerekend. De rechtbank oordeelt dat de automobilist wel degelijk schuld heeft aan het ongeval. Zo heeft hij niet goed genoeg in de spiegels en over zijn schouder gekeken terwijl hij dat wel had moeten doen.

Eigen schuld

De rechtbank vindt echter ook dat de motorrijder zelf fouten heeft gemaakt. Deze zag namelijk dat de auto vaart minderde bij de afslag. Toch reed hij door en vervolgde hij zijn inhaalmanoeuvre. De motorrijder heeft dus ook eigen schuld aan het ongeval. Alles overwegende stelt de rechtbank vast dat de automobilist 80% van de schade van de motorrijder moet vergoeden.