De zorgplicht van een school tegenover haar leerlingen en derden
28 juli 2017 
in 2017

De zorgplicht van een school tegenover haar leerlingen en derden

Vlak voor het begin van de schoolvakantie, op 21 juni 2017, heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak waarin het ging om de zorgplicht die rust op een school en de reikwijdte van die zorgplicht.

De mishandeling

Op 3 juli 2012 is een leerling, op dat moment 14 jaar oud, met zijn school – het St. Bonifatius College in Utrecht – een dagje uit geweest naar pretpark Walibi in Biddinghuizen. Aan het einde van de dag loopt hij met zijn vriendin naar het parkeerterrein waar hun bus vertrekt. Hij ziet daar een ruzie tussen een aantal meisjes, waarbij één meisje op de grond beland en belaagd wordt door de andere meisjes. Deze meisjes zijn allemaal leerling van De Sprong, een school voor kinderen met gedragsproblemen.

De leerling en zijn vriendin lopen op het groepje meisjes af en willen het meisje dat op de grond ligt helpen. Om dit te kunnen doen duwen zij allebei een ander meisje weg. Meteen daarna komt een groep jongens op de leerling afgerend. Een aantal van deze jongens en in ieder geval ook een van de meisjes, slaan en schoppen de leerling. Hierbij loopt hij lichamelijk letsel op en raakt hij buiten bewustzijn. In het ziekenhuis worden een hersenschudding, kneuzingen en schaafwonden geconstateerd. In ieder geval vier leerlingen van De Sprong worden in 2013 strafrechtelijk veroordeeld vanwege geweldpleging.

De standpunten van de leerling en de school

De leerling stelt dat De Sprong, dus niet zijn eigen school maar de school van de meisjes en jongens die hem hebben mishandeld, onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van hem. Door onvoldoende toezicht te houden op haar leerlingen zou De Sprong niet voldaan hebben aan haar zorgplicht om derden te beschermen tegen schadelijke gevolgen van gedragingen van leerlingen die onder haar hoede staan, zo stelt de leerling. De Sprong vindt dat zij wel heeft voldaan aan deze zorgplicht.

 

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 6:162 lid 2 BW bepaalt dat als een onrechtmatige daad wordt aangemerkt een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De centrale vraag die beantwoord moet worden is of De Sprong aan de algemene zorgvuldigheidsnorm heeft voldaan op het moment dat zij er achter kwam dat twee leerlingen niet aanwezig waren op het afgesproken tijdstip. Naar het oordeel van de rechtbank heeft De Sprong de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW niet geschonden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het verzameltijdstip van 15.30 uur vooral was bedoeld had om ervoor te zorgen dat er geen leerlingen zouden achterblijven in het park en de bus zouden missen. Van achtergebleven leerlingen was om 15.30 uur geen sprake. Op het moment dat de docenten hoorden dat twee leerlingen het park al hadden verlaten maar dat zij deze nog niet bij de bus hebben gezien, heeft een van de docenten een van deze leerlingen gebeld. Het bleek dat zij inderdaad al naar het parkeerterrein waren gelopen. De docenten hebben toen verder geen actie ondernomen, omdat zij samen met de andere leerlingen ook snel naar het parkeerterrein zouden lopen. De omstandigheid dat op De Sprong leerlingen zitten die moeilijk opvoedbaar zijn en gedragsproblemen veroorzaken maakt niet dat De Sprong om die reden meer actie had moeten ondernemen, zo oordeelt de rechtbank. Voor zover de leerling heeft betoogd dat de sfeer overdag in het park al grimmig was, dat leerlingen van De Sprong toen ook betrokken waren bij scheldpartijen en dat De Sprong haar leerlingen daarom bij het verlaten van het park onder strenger toezicht had moeten stellen, overweegt de rechtbank dat de leerling deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

Omdat De Sprong de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW niet heeft geschonden heeft zij ook niet onrechtmatig gehandeld. De Stichting is dan ook niet aansprakelijk voor de schade van de leerling. Zijn verzoek wordt dan ook afgewezen.

 

Zorgplicht scholen

De aansprakelijkheid van scholen en leraren voor schade van hun leerlingen en derden is een zogenaamde toezichthouderaansprakelijkheid. Op de school (de toezichthouder) rust een verhoogde zorgplicht in verband met de bijzondere relatie tussen school en leerlingen. Wettelijk gezien berust die toezichthoudersaansprakelijkheid op de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).

De vraag wanneer zich aansprakelijkheid van de school voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Mogelijke oorzaken van aansprakelijkheid van scholen kunnen zijn dat geen of slecht toezicht is gehouden, dat gevaarlijke opdrachten zijn gegeven vanuit de school of dat veiligheidsvoorschriften niet zijn nageleefd. Het toezicht betreft niet alleen de lesperioden, bijvoorbeeld ook pauzes, excursies, werkweken en buitenschoolse activiteiten.

De bovenstaande uitspraak laat zien dat de zorgplicht van de school vooral geldt voor de bescherming van de leerlingen die onder haar hoede staan en dat schending van deze zorgplicht tegenover derden niet snel wordt aangenomen.

Uw verhaal samen met ons bespreken?

Dat kan geheel vrijblijvend!

Tijdens dit gesprek delen wij graag onze kennis en overleggen we de aanpak.

Indien nodig stappen we voor u naar de rechter.