In 1998 en de jaren die volgden deed zich ernstige wateroverlast voor op het terrein van Mispelhoef. Mispelhoef stelde in 2003 de gemeente en het waterschap hiervoor aansprakelijk. Na afwijzing heeft Mispelhoef onderzoek laten verrichten naar de oorzaak van de schade. Hieruit kwam naar voren dat Rijkswaterstaat aansprakelijk was voor de schade. Ondanks dat Mispelhoef in 2003 al op de hoogte was van de mogelijke aansprakelijkheid van Rijkswaterstaat, wist Mispelhoef dit nu pas zeker. Mispelhoef stelde vervolgens Rijkswaterstaat aansprakelijk voor haar schade. Rijkswaterstaat beroept zich in de procedure op verjaring en stelt dat Mispelhoef in 1998/1999 al bekend was met het feit dat Rijkswaterstaat de aansprakelijke partij was en dat de vordering is verjaard. De Hoge Raad oordeelt – in tegenstelling tot de rechtbank en het hof – dat het feit dat Mispelhoef bekend was met de mogelijkheid dat Rijkswaterstaat voor de schade aansprakelijk was niet voldoende was om aan te nemen dat bij Mispelhoef voldoende zekerheid bestond dat de schade was veroorzaakt door Rijkswaterstaat. De Hoge Raad acht hierbij van belang dat Mispelhoef in de veronderstelling was dat het waterschap verantwoordelijk was voor de waterhuishouding, zij onderzoek heeft laten doen naar de oorzaak van de schade en dat toen pas duidelijk werd dat Rijkswaterstaat verantwoordelijk was voor de schade. De Hoge Raad oordeelt dus dat de rechtsvordering van Mispelhoef niet is verjaard.

Hoe zit het in het algemeen met verjaring van een rechtsvordering tot schadevergoeding?

Verjaring is het door tijdsverloop verloren gaan van het recht om een schuldenaar – denk aan de veroorzaker van een verkeersongeval – aan te spreken voor nakoming van zijn verbintenis, bijvoorbeeld een schadevergoedingsverplichting. In de meeste gevallen gelden twee verjaringstermijnen: de subjectieve en de objectieve verjaringstermijn.

Op grond van artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek geldt voor vorderingen tot vergoeding van schade een verjaringstermijn van 5 jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. De benadeelde moet daadwerkelijk in staat zijn een vordering in te stellen. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade volstaat niet. Er moet voldoende zekerheid bestaan, maar geen absolute zekerheid. Dit wordt ook wel de subjectieve verjaringstermijn genoemd, omdat het aanvangsmoment wordt bepaald aan de hand van omstandigheden aan de zijde van de benadeelde.

Anders ligt dit bij de objectieve verjaringstermijn van – in beginsel – 20 jaar (artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Voor deze termijn geldt de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt – bijvoorbeeld een verkeersongeval – als aanvangsmoment voor de verjaring. De subjectieve omstandigheden spelen hierbij geen rol. Wel kan deze termijn op grond van de redelijkheid en billijkheid in een beperkt aantal gevallen worden doorbroken. Voor schadeveroorzakende gebeurtenissen na 1 februari 2004 geldt de objectieve, lange termijn niet meer (artikel 3:310 lid 5 Burgerlijk Wetboek).

Uit bovengenoemde zaak blijkt dat het niet altijd even duidelijk is wanneer er voldoende zekerheid bestaat en de subjectieve verjaringstermijn gaat lopen. Dit in tegenstelling tot de objectieve verjaringstermijn, die op een vast moment gaat lopen.

[1] HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:552).