Rb. Den Haag - 6 september 2013 (20%)

S is als bestuurster van een personenauto tegen de achterzijde van een stilstaande aanhangwagen gereden. De aanhangwagen was aanvankelijk gekoppeld achter een vrachtwagen (A), maar ten tijde van de aanrijding losgekoppeld. De aanhangwagen stond juist geparkeerd, maar A kan verweten worden dat hij ondanks de aanwezigheid van mistflarden geen maatregelen heeft genomen om het naderende verkeer te attenderen op de stilstaande aanhangwagen. S droeg geen autogordel. S haar zicht werd belemmerd als gevolg van het niet volledig ijsvrij maken van de voorruit. S heeft de maximumsnelheid niet overtreden, maar had haar snelheid moeten matigen gelet op de weersomstandigheden.

Causale afweging:
70% (S) – 30% (A)

Wegingsfactoren:
1. S > A
2. n.v.t.
3. Andere omstandigheden:
C = de schade is omvangrijk. S wordt in haar dagelijkse bezigheden en in haar mogelijkheden tot het verrichten van arbeid (ernstig) beperkt.
D = de ernst van de bestaande klachten en beperkingen op lichamelijk en psychisch gebied als gevolg van het opgelopen letsel. Er is geen sprake van uitzonderlijk zwaar letsel (geen blijvende toestand van totale verzorging).
F = S is niet verzekerd voor de door haar geleden schade.

Hoogte b.c.
20%

Vergoedingsplicht na b.c.
50% (S) – 50% (A)